Bij alle deelnemende leerkrachten worden in de eigen groep van de leerkracht de volgende activiteiten ondernomen:

In het vroege voorjaar van 2016 en 2017 observeert een onafhankelijke observator een les in de eigen groep van de leerkracht. De observator bespreekt daarna met de leerkracht de les waarbij wordt aangegeven wat al goed gaat en waar de leerkracht zich nog verder kan ontwikkelen. Zo spoedig mogelijk daarna ontvangt de leerkracht de informatie ook nog schriftelijk. De leerkracht bepaalt zelf of hij/zij de informatie met collega’s of de directeur deelt. Als alle observaties zijn geweest ontvangt elke leerkracht ook informatie over hoe alle leerkrachten met vergelijkbare ervaring het gemiddeld doen, zodat hij/zij zelf zijn sterke en zwakke punten kan vergelijken met de ‘gemiddelde’ beginnende leerkracht. Het observatie-instrument dat wordt gebruikt is de ICALT.

In dezelfde periode vult de leerkracht en de leerlingen in de groep (bij groep 6 en hoger) een korte vragenlijst in waaruit blijkt hoe zij de relatie tussen de leerkracht en de leerlingen ervaren. Door de eigen mening van de leerkracht te vergelijken met wat de leerlingen zeggen kan een goed beeld worden verkregen van die relatie. Ook dit kan aanleiding geven voor de leerkracht om zich verder te ontwikkelen. Ook hiervan ontvangen de leerkrachten een schriftelijke rapportage. Voor het in kaart brengen van de relatie wordt gebruik gemaakt van de VIL.

Tenslotte wordt gekeken of de resultaten van de leerlingen samenhangen met de resultaten van de observatie en van de relatie tussen de leerkracht en de leerlingen. Hierbij wordt natuurlijk rekening gehouden met de beginsituatie/voorkennis van de leerlingen.

Omdat alle activiteiten twee keer worden uitgevoerd kan de leerkracht ook inzicht krijgen in de eigen ontwikkeling.